2002 ETHIOPIË

2002 ETHIOPIË

DAG 1 – ADDIS ABEBA

In plaats van het Terminal Hotel op Schiphol zijn nu onze Amsterdamse vrienden de klos om de vertrekkende wereldreizigers een nacht onderdak te bieden en daarna uitgeleide te doen. Of ze zo goed willen zijn de heer en mevrouw om 5.00 naar het vliegveld te brengen. Ze zeggen het helemaal niet erg te vinden.

In drie etappes vliegen we naar Ethiopië. Via Frankfurt naar Caïro en dan, na een schoonmaakstop, door naar Addis Abeba. De verwachte cultuurschok valt mee dit keer. Addis blijkt te beschikken over een normaal vliegveld waar alles gladjes verloopt en de opdringerigheid van de taxichauffeurs bij de uitgang is ook niet wereldschokkend. En het eerste ritje door de stad geeft ook niet direct de indruk aan het eind der wereld beland te zijn.

In Nederland was de keus voor de eerste nacht al op het Taitu Hotel gevallen en dat blijkt geen foute. Een enorme kamer met hoog plafond, een balkon, warm water en een TV die werkt. Minpuntje is dat het volgens de reglementen verboden is in pyjama aan het ontbijt te verschijnen. Het hotel heeft enorme corridors en hoge zalen en in één ervan nemen we een lekker biertje. Twee Rotterdammers die ook in het vliegtuig zaten voegen zich bij het gezelschap en de reisverhalen barsten los. Aldus een verantwoord en zeer rustig begin van de reis.

DAG 2 – ADDIS ABEBA

Na een intensieve elektronische briefwisseling vanuit Nederland over een mogelijke trip naar het zuiden ontmoeten we nu Mr. Wondwossen Lakew in levende lijve in zijn kantoor. Hij blijkt inderdaad de rustige, hulpvaardige man te zijn waarop we hadden gehoopt en om de daad bij het woord te voegen begint hij meteen van alles te regelen. We rijden met hem naar het busstation om kaartjes voor morgen te kopen, we kunnen onze vrienden die over twee weken komen even mailen en hij geeft ons een lift naar het Nationale Museum.

Buiten het museum heerst er een grote opstopping. Honderden net afgestudeerde studenten met hun families bevolken de straten. En de studenten zijn in vol ornaat; zwarte toga’s en het typische zwarte hoofddeksel met een kwastje.

In het museum liggen de resten van “Lucy”. Tot voor kort onze oudste gevonden voorouder want net een paar weken geleden is in Tsjaad een nog ouder exemplaar uit de grond gekomen. Verder zijn er een aantal mooie beelden uit Aksum te zien en wat koningsmantels en kronen.

Wat de regentijd betekend in Ethiopië wordt ook meteen duidelijk, net als nu elke middag regen. Als het weer droog is wandelen we terug naar het hotel.

’s Avonds ontmoeten we de heren uit Rotterdam weer en we gaan samen eten. Voor bijna noppes eten we een shish kebab, in ons hotel nemen we nog een kopje koffie. En daar ontstaat het mooiste verhaal van het jaar. Een van de Rotterdammers is ooit in Palmyra in Syrië geweest, net als wij. Hij bezocht daar een leuk typisch restaurant waar veel reizigers komen, net als wij. Ook zag hij daar de schriften en boeken, volgeschreven en geplakt door bezoekers uit de hele wereld. En wat is het bijzondere dat hij daar in een van die schriften las? Een notitie van de vermaarde Nederlandse kok Joop Braakhekke die het eten afkraakte. Een bijzonder toeval. Als ik hem daarna onthul dat naar alle waarschijnlijkheid de betreffende Joop Braakhekke nu voor hem zit valt zijn mond open van verbazing. Mijn pseudoniem als ik weer eens verplicht ergens iets in moet schrijven of een register van een museum moet tekenen is namelijk Joop Braakhekke. Toeval bestaat en de Rotterdammer is er de rest van de avond helemaal van ondersteboven.

DAG 3 – BURE

We moeten akelig vroeg op want Mr. Wondwossen komt ons om 5.30 halen. Zijn assistentie blijkt zeer welkom in de hectiek van het busstation in de vroege morgen. Eerst is er het gedoe om onze rugzakken op het dak te krijgen wat natuurlijk een paar birr moet kosten en daarna laten ze alle passagiers een rondje om de bus lopen, dwars door de smerige wolken die de uitlaat uitbraakt. Wat dit oplevert, behalve een aanslag op je longen, is volstrekt onduidelijk. In ieder geval een plek helemaal achterin de bus, zoals viel te verwachten. En zoals vaak is het begin van de reis vrij onschuldig. Maar als na 50 kilometer de verharde weg ineens ophoudt en we beginnen aan de duizelingwekkende afdaling door de kloof van de Blauwe Nijl komen ons weer Tibetaanse visioenen voor de geest. En als je afdaalt moet je ook weer omhoog. Twee uur rijden en dan een kwartier rust vinden ze hier pure tijdsverspilling. Een korte koffiestop rond half elf vindt de chauffeur voldoende om daarna tot net voor het vallen van de avond non-stop door te rijden naar Bure. In deze negorij liggen wat hokken langs de weg met het predicaat hotel waar we er een van uit mogen kiezen. Voor 6 birr (€ 0,72) is het in ieder geval een goedkoop hok. Om te eten is er ook niets, met moeite weten ze ons een broodje roerei voor te toveren.

Gelukkig is er wel bier dus we hoeven nog niet gelijk naar bed. Een Ethiopisch meisje legt ons de Ethiopische tijdsaanduiding uit. Hun dag begint bij zonsopgang, om 6.00, voor hen dus 0.00 uur. Hun horloges wijzen daarom ook steevast een andere tijd aan dan de onze, soms een beetje ingewikkeld dus als je tijd vraagt. Ook de maanden volgen volledig de cyclus van de zon en de maan. Dagen die ze in een jaar zo over houden stoppen ze in de korte dertiende maand waar wij het schrikkeljaar voor gebruiken.

Morgenvroeg vertrekken we weer om 5.00 dus liggen we er om 22.00 al braaf in ook omdat er weinig anders te doen is. Een hevige stortbui doet ons vrezen dat we voor die tijd allemaal weggespoeld zijn maar om 4.30 blijken we nog gewoon in bed te liggen.

DAG 4 – BAHIR DAR

Ook onze nieuwe wekker is nog niet 100% betrouwbaar. Gelukkig is het gemeenschapsgevoel onder de toeristen in de bus (nog 4 anderen) zo groot dat ze elkaar wekken.

Zonder douche duiken we zo onze kleren weer in om tezamen met alle andere passagiers om 5.00 dampend het donker in te rijden.

Voordeel van zo vroeg vertrekken is wel dat we al om 9 uur in Bahir Dar zijn. Samen een Spanjaard uit Gallicië en zijn vriend uit Djibouti worden we naar een nieuw hotel gedirigeerd. Als we ons opgefrist en weer toonbaar hebben gemaakt gaan we op pad om wat tripjes voor de komende dagen te regelen. Overal zoemen de snelle jongens om ons heen met aanlokkelijke aanbiedingen, maar een reisbureautje heeft dezelfde aanbieding zelfs nog iets goedkoper en lijkt veel betrouwbaarder, dus daar doen we zaken.

De markt van Bahir Dar is een levendige. Veel mensen uit de omstreken komen hier naartoe. De boeren met hun typische dekens, korte broek en stok en de vrouwen met kruizen of andere symbolen in het gezicht getatoeëerd. Helaas verzamelen we overal waar we lopen een schare volgelingen om ons heen die er voor zorgt dat ongemerkt fotograferen onmogelijk wordt.

In een volle klas met kinderen kiezen we daarom voor de razendsnelle aanpak; camera om de hoek van de deur steken en meteen afdrukken.

Een geweldige hagelbui doet ons het hotel in vluchten en we besluiten om daar ook maar te eten. Na de maaltijd nemen we nog een kijkje in de bar in de catacomben waar we de enige gasten blijken te zijn op twee meisjes die bij het interieur horen na. Ze zijn wel zo goed om even een demonstratie typisch Ethiopisch dansen te laten zien. Een soort “bubbling” met alleen de schouders. Weer eens wat anders dan buikdansen.

Als we na een gin-tonic onze kamer op de vijfde verdieping opzoeken wacht ons daar een grote waterplas. Bovenop de bus waren onze rugzakken netjes droog gebleven, nu zijn ze alsnog totaal doorweekt.

DAG 5 – BAHIR DAR

Stipt om 8 uur staat het minibusje voor de deur, zelf zijn we wat minder stipt omdat het wegwerken van het ontbijt even tijd kost. Het is drie kwartier rijden naar de watervallen van de Blauwe Nijl. Mensen uit de verre omstreken komen ons tegemoet op weg naar de markt. En overal wemelt het werkelijk van de vogels. Later op de middag met een geleend vogelboek in de aanslag denken wij in ieder geval de volgende exemplaren gezien te hebben: de blauwe glansspreeuw en de hoornraaf, een joekel van een vogel met rode keel en een neushoornsnavel.

De watervallen bereiken we via de 17e eeuwse Portugese brug wat het patriottische hart van mijn vrouw doet zwellen van trots. De watervallen zelf denderen over een grote breedte omlaag. Als de zon op het bruin-witte water schijnt ontstaan er kleine regenbogen.

’s Middags gaan we met onze grote vriend uit Gallicië op pad voor een wandeling. Na een treffen met een gestoorde naakte zwerfster en een zeer goed Engels sprekende jongen, die ons én passant bezweert dat hij weliswaar op school als meisje heeft geacteerd maar geen homo is, lopen we aan tegen een in aanbouw zijnde kerk. En dat in aanbouw zijn betekent hier dat de kerk met blote handen gebouwd wordt. Naast de kerk staat een prachtige verzameling hutjes, waarschijnlijk een soort seminarie waar de jongens onderdak vinden. Vol bewondering kijken we rond terwijl de jongens op ons niet uitgekeken raken. Iedereen wil een adres dus dat wordt driftig pennen geblazen. Een lading bedelbrieven zal wel het gevolg hiervan zijn. Na ook nog even een weeshuis bezocht te hebben gaan we nog eens naar de markt maar we krijgen al snel ruzie met irritante kereltjes die ons gisteren het leven ook al zuur maakten. Want als de Spanjaard een lap wil kopen van een man beginnen die knullen zich er meteen tegenaan te bemoeien. Ik duw er een aan de kant wat hem niet blij maakt en mijn vrouw probeert het als vanouds met luid schreeuwen maar echt helpen doet het niet. We zoeken maar snel een rustig terras op waar we ongestoord kunnen genieten van de mensen. Boeren uit de omtrek, lang, mager en op blote voeten. In korte broek en omslagdoek met hun onafscheidelijke stok.

’s Avonds moeten we een kip zien weg te werken wat niet echt lukt. Ondertussen barsten de regens weer los.

DAG 6 – BAHIR DAR

Voor de tweede achtereenvolgende dag gaan we met onze twee medereizigers op pad, of liever gezegd de boot in het Tana meer op. Voorbij de pelikanenkolonie koersen we af op het eerste klooster op een schiereiland. Het Ura Kidane Meret klooster is de eerste in een rij van drie. Een contigent ”gidsen” staat ons al hoopvol op te wachten aan de kade maar wij houden ons Oost-Indisch doof voor vragen als: ”where are you from” of ”what is your name”. Want elk antwoord telt aan op de virtuele rekening die ze al voor ons in petto hebben.

Het klooster zelf is een wondertje dat je niet verwacht in Afrika. De muren zijn van onder tot boven beschilderd met bijbeltaferelen in een soort naïeve stijl. Er lijkt een bijzondere voorliefde te zijn voor martelingen, executies en hel en verdoemenis.

In een museumpje liggen achteloos kronen uit de 16e t/m de 18e eeuw te pronken naast eeuwenoude manuscripten. Aan vochtregulerende systemen, klimaatbeheersing of inbraakbeveiliging zijn ze nog niet toe. Ook in het Beta Maryam zijn vergelijkbare schilderingen en voorwerpen te zien, getoond door trotse, in geel gestoken monniken. Het derde klooster, Kebran Gabriel, is alleen voor mannen toegankelijk. Helaas is door waterschade veel schilderwerk in slechte staat. Een goed Engels sprekende monnik geeft wel een interessante uitleg over het klooster. Zo horen we dat vrouwen niet welkom zijn omdat hun aanwezigheid de monniken wel eens aan zou kunnen zetten tot onzedelijke gedachten of beroering van andere kruizen dan de kerkelijke.

’s Middags rusten we uit van alle religieuze inspanningen en treffen voorbereidingen voor morgen. Geld wisselen, buskaartjes kopen en bananen inslaan voor het nachtelijke ontbijt morgenvroeg.

’s Avonds ruilen we ons hotel-restaurant in voor een ander hotel-restaurant. Deze heeft als voordeel een terras buiten op het balkon te hebben maar verder is er weinig nieuws onder de zon.

DAG 7 – GONDER

Voor het busstation staat ook om zes uur in de ochtend al een mensenmassa te dringen. Als de hekken open gaan zetten de wachtenden een sprint in waardoor onwetende toeristen automatisch als laatste in een rij eindigen wat slechts uitzicht biedt op een plekje achterin de bus. Wel met mooie lanceringen in het vooruitzicht. Maar het wonder gebeurd. We worden uit de rij geplukt en we mogen als eersten een mooie plek voorin kiezen. Na al het duw- en trekwerk accepteren we deze voorkeursbehandeling dankbaar.
In Vietnam viel het ontbreken van auto’s op, iedereen fietste. Hier valt het ontbreken van fietsen op, iedereen loopt. Met bundels hout op het hoofd, met een kudde koeien, met pakezels of met een draagbaar met een dode er op.

Tegen de middag zijn we in Gonder. Daar wordt de jacht op ons geopend door de plaatselijke hangjongeren die op zoek zijn naar provisie. Een heeft er geluk want het hotel waar hij ons heen brengt wordt door aardige mensen gerund en bevalt ons wel.

We lopen naar de bekendste kerk van het land, de Debre Berham Selassie kerk. Het plafond telt de hoofdjes van 80 cherubijnen en de muren zijn weer beschilderd met bijbeltaferelen over hel en verdoemenis. Zelfs Mohammed komt nog voorbij op een kameel.

We eten in een groot leeg hotel-restaurant waar de ober zeer nerveus wordt van het feit dat hij klanten heeft. Desondanks is het goulashsoepje zeer de moeite waard.

Na het eten beginnen de onderhandelingen over de dagtrips. We laten de Simien Mountains voor wat ze zijn, nat, mistig en koud. En mocht dat nog geen reden genoeg zijn dan is dat de prijs en de tijd die het kost wel. Morgenvroeg zoeken we de apen wel wat dichterbij in een surrogaat versie van de bergen.

DAG 8 – GONDER

Het uitzicht na een uurtje hobbelen in een gehuurde taxi is adembenemend. Om bij dit uitzicht te komen lopen we 20 minuten mee tussen de geiten, koeien en schapen met hun herders. En aangezien wij de bezienswaardigheid zijn wordt die kudde steeds groter. Stipjes die we ver beneden zien bewegen moeten bavianen zijn. We geloven het graag. Het weer is daarbij prachtig dus we moeten maar niet te moeilijk doen over het feit dat de prijs wel erg hoog was voor dit dagtripje.

In Gonder is het marktdag dus het is druk in de stad. We proberen onopvallend wat rond te neuzen maar slagen daar in het geheel niet in. Overal waar we gaan loopt er binnen de kortste keren een colonne kinderen achter ons aan die er een sport van maken om, telkens als jij wilt fotograferen of filmen, in beeld te springen. We raken er een beetje gestoord van want zelf op een terrasje lukt het niet aan ze te ontsnappen.

De Rotterdammers zijn ook in Gonder aangekomen en ’s avonds gaan we samen eten. We laten een flesje plaatselijke wijn aanrukken, bestellen daar de overheerlijke steak Bismarck bij en filosoferen er op los. Is te laat komen of altijd op tijd zijn erfelijk bepaald? Of heeft het een culturele achtergrond? En als de wijn rijkelijk vloeit durven de amateur-filosofen zelfs de discussie over de zin van het leven aan. En Ethiopië in natuurlijk de geëigende plek voor zo’n vraagstuk.

DAG 9 – GONDER

Nadat we de Rotterdammers hebben uitgezwaaid kopen we zelf ook onze bus tickets voor morgen. Daarna beginnen we aan ons bezoek aan de kastelen van Gonder waar het per slot van rekening hier allemaal om te doen is. Er zijn weinig bezoekers dus we kunnen in alle rust de prachtig behouden gebleven kastelen bekijken. Het enige dat je moet doen is er steeds bij bedenken dat het hier geen bouwwerken in Frankrijk of Duitsland betreffen maar Ethiopische.

We zoeken na het bezoek even afkoeling met een biertje en gaan dan op weg naar de baden van Fasilada. Helaas begint het te regenen en lijkt het bad te gaan vol lopen. Johannes, een jochie van 12 waar we al een paar dagen mee op trekken wil ons de weg wijzen naar nog een monument als het echt begint te plenzen. We besluiten rechtsomkeert te maken. Ik voorop, mijn vrouw en Johannes onder de paraplu daarachter. Terwijl ik een straf tempo inzet heb ik niet door dat achter mij een vent van een helling is gekomen die mijn vrouw een groot Rambo-mes op de buik zet en haar moneybelt eist. Het mes is overtuigend genoeg dus ze geeft de man snel wat hij wil. Pas als de snoodaard wegrent begint ze te schreeuwen. In een impuls vlieg ik achter de kerel aan. Hij glijdt weg en bijna heb ik hem te pakken. Maar dan begint mijn vrouw te gillen dat hij een mes heeft! Ik stop abrupt de achtervolging, heldendom zal wederom niet mijn deel zijn. In de stromende regen houden we een minibusje aan die ons naar een plaggenhut brengt die voor politiepost moet doorgaan. En daar wordt de ellende alleen maar groter. Johannes geldt onmiddellijk als verdachte en wordt meegenomen en, naar later blijkt, opgesloten. Op een smerige matras wachten wij ondertussen in de kou tot we een ons wegen. Als er verder niets gebeurt besluiten we terug naar het hotel te gaan en in Gonder zelf aangifte te doen. Maar omdat het zondag is kan dat niet. We mogen wel morgen terugkomen. Maar morgen hopen wij Gonder ver achter ons gelaten te hebben.

Nauwelijks bekomen van alle opwinding staat bij het hotel al de moeder van Johannes te wachten die hoopt op onze hulp om haar zoontje uit de cel te krijgen. Meer dan een briefje schrijven kunnen we niet doen want de politie maakt hier niet een bijster betrouwbare indruk. Voor we het weten zijn we straks zelf verdacht of wordt er om een financiële bijdrage gevraagd.

Mijn vrouw mist haar rijbewijs, bankpas en wat geld maar dat Johannes de klos is vinden we veel erger. Hopelijk laten ze hem morgen gaan.

DAG 10 – DEBARK – SHIRE

Na een dag als gisteren is alles eng. Zo vroeg ’s morgens alleen naar het busstation zien we ineens niet meer zo zitten. Maar de bewaker van het hotel, die overnacht in een kast onder de buitentrap komt naar buiten gekropen en loopt met ons mee om ons over te geven aan een volgend mannetje dat ons in de bus zal zetten. Hierdoor gaat het duw- en trekwerk tussen passagiers zonder voorkeursbehandeling helemaal aan ons voorbij. We slaken een zucht van verlichting als we eindelijk rijden.

Maar een ongeluk komt nooit alleen. We rijden hoog de bergen in als we verzeilt raken in dichte mist. Het is maar een kwestie van minuten of de botsing is een feit. Een tegemoet komende vrachtwagen wijkt te laat uit en raakt met zijn achterkant de bus bij de bestuurderspositie. De spiegel weg en het zijraam aan gruzelementen. In de mist moet er vervolgens onderhandeld worden over de schuldvraag en de schadevergoeding. Steeds meer bussen stoppen en het wordt een hele samenscholing daar op de berg. Na drie kwartier duiken we weer de mist in, zonder raam. Ons zenuwengestel kan niet erg veel meer tegenslag verwerken.

Dan maar meteen ook de hel op aarde erbij. We stoppen in Debark. Blinden, kreupelen en gekken slepen zich voort door de vieze modder op blote voeten en met vaak niet meer om het lijf dan een dun dekentje. Alles is even vies. En terwijl zij komen bedelen doen wij pogingen om onze kleding en schoenen schoon te houden. Na een half uur mogen wij weer verder in de bus, de nu al verdoemden blijven achter in de misère.

Toch gaat ook onze tocht niet over rozen. De een na de andere veel te krappe haarspeldbocht zorgt voor een onvervalste dodemansrit. De laatste geasfalteerde weg ligt al dagen achter ons. Mist, regen, rotsblokken en tegenliggers maken dit tot de ergste bustocht ooit. En als je beneden bent aan de voet van de ene berg dan wacht de volgende al weer snel. De weg is aangelegd door de Italianen in 1932 en in zeventig jaar kan er heel wat wegspoelen. We maken in gedachten ons testament al op en bereiden ons voor op het afscheid.

Net voordat de avond valt rijden we ineens een hoogvlakte op en doemt Shire op. Met een leuk hotel met aardige mensen. De kamer zit wel vol muggen maar die krijgen een fijne verrassing uit een spuitbus. We trakteren de chauffeur die de hele dag achter zijn open raam heeft zitten sturen en zijn assistenten op een biertje als dank voor de veilige aankomst. En zelf proosten we op het snel vergeten van de laatste twee dagen.

DAG 11 – AKSUM

Zelfs als het hotel naast het busstation ligt weten ze je hier ’s morgens nog op te sluiten achter een hek. Na vrij gelaten te zijn wacht gelukkig een kort tripje naar Aksum. En het gesprek met een man naast me over vooruitgang, toekomst, verschillen, mogelijkheden en geboortebeperking laat de tijd helemaal voorbij vliegen. Om 9 uur zitten we al weer in het volgende hotel. Het Kaleb hotel heeft een mooie tuin, een leuk café en zoals altijd aardige mensen.

Het toerisme in Aksum gaat via een strakke organisatie. Bij het museum krijg je een gids toegewezen en met hem gaan we de hele dag op pad. In het museumpje zelf is bijzonder dun aardewerk te zien en erg oude glazen. Daarna gaan we naar het veld waar Aksum beroemd om is, het veld met de obelisken en grafstèles. Eén stèle is geroofd door de Italianen en staat in Rome, een tweede is ingestort maar de derde staat nog fier overeind. Een wolkenkrabber van graniet van ver voor Christus. De strakke nepramen en -deuren maken het erg bijzonder. En het blijft een raadsel hoe ze de gevaartes overeind hebben gekregen.

We bezoeken een aantal ondergrondse tombes en ruïnes en tot slot wacht de kerk van Maria van Zion nog op ons maar vrouwen mogen er weer eens een keertje niet in. Hierdoor mist mijn vrouw twee portretten van Maria. Op het portret uit de 4e eeuw is ze zwart, op die uit de 6e eeuw is ze al blank geworden.

Eten blijft hier lastig maar met een welwillende kok kom je een heel eind. ’s Middags tovert hij ons een goede macaroni met tomatensaus voor en ’s avonds heeft hij zowaar aardappels, kool en wortels voor ons gevonden. Helaas is het vlees half rauw. Met het oog op wormen laten we dat dus maar aan onze neus voorbij gaan. Een in Kenia geboren vage Rietveld student schuift bij ons aan en daar worden we vanzelf lekker moe van. En morgen gaat er geen wekker af.

DAG 12 – AKSUM

Zoekt en gij zult vinden, zo luidt het spreekwoord. Maar vandaag gaat het niet op. We zoeken de veemarkt maar vinden haar niet. Dan langs de bank, maar die is net gesloten en opent pas weer na de middag. Dan op zoek naar het busstation met de plattegrond in de hand, geen spoor. Terug naar de bank maar die blijkt bij nader inzien de hele dag gesloten te blijven. Het busstation vinden we uiteindelijk wel. Verplaatst naar ver buiten de stad. Om vier uur zouden er kaartjes verkocht worden. Als we er per taxi arriveren blijken er geen kaartjes. Is het dan een optie om met een groep bejaarde Duitsers in twee dagen richting Mekele te rijden? Na een uur onderhandelen in een duur hotel krijgen we nul op het rekest, ze willen toch meer geld zien. Een minibusje dan? Het zou kunnen maar dan wil de chauffeur onderweg wel overal passagiers oppikken. Zoekt en gij wordt moedeloos. Morgen om 5.30 wagen we maar een nieuwe poging.

De boys uit Rotterdam komen ’s avonds ook nog binnenvallen maar wij zijn zo druk met allerlei onderhandelingen dat we ze nauwelijks spreken.

DAG 13 – DEBRE DAMO

Om 5 uur op, om 5.30 een taxi, om 5.45 een kaartje, om 6.00 het hek open, om 6.01 de bestorming van het busje en om 6.15 voor ons alleen een plek helemaal achterin het voertuig. Dat gaan we geen negen uur volhouden. We vragen ons geld terug, maken iemand anders blij met de kaartjes en om 7.00 zijn we terug in ons hotel. We zijn het gedoe spuugzat en om 9.00 hebben we twee vliegtickets naar Lalibela voor morgen op zak.

Verandering van het programma dus waardoor we met de Rotterdammers, de Rietveld student en twee Ethio-Amerikaanse dames naar het Debre Damo klooster kunnen, een dikke 80 kilometer naar het oosten. Het landschap waar we doorheen rijden is spectaculair met hoge bergen. Maar als de laatste 11 kilometer zijn aangebroken wordt het een ander verhaal. De weg stijl omhoog is bijna onbegaanbaar, zeker voor een minibusje. Hij blijft steeds steken en we moeten grote stukken afleggen met de benenwagen. De moed zakt ons al weer in de schoenen. Want we zijn veel te laat vertrokken vandaag en nu het 15.00 is kunnen we precies uitrekenen dat we nu op de weg terug zouden moeten zijn. Het klooster, dat alleen voor mannen toegankelijk is via een 24 meter lang klimtouw, zien we dan ook slechts vanuit de verte tegen de rotswand liggen op een prachtige tafelberg.

Omdat de anderen toch naar boven willen vragen we een lift aan de bejaarde Duitsers van gisteren. Het mag. Hun bus is veel beter maar ondanks dat zijn we, door verschrikkelijke hoosbuien, pas om 19.00 uur terug. We zijn blij dat we terug zijn maar prijzen ons tevens gelukkig dat we niet twee dagen met dit duffe, arrogante zooitje grijze muizen op pad zijn gegaan.

De anderen komen pas om 21.00 uur binnenvallen en de ene Rotterdammer blijkt het ook helemaal gehad te hebben met de bravoure en het “kip zonder kop” gedrag van zijn medereiziger. Het probleem is hier dat niemand je goede informatie geeft zodat mogelijke problemen slecht te voorzien zijn. Daarnaast zijn de gladde Ethiopische jongens alleen bezig om toeristen zo snel mogelijk kaal te plukken zonder zich al te veel zorgen te maken over het aanbod en de veiligheid. Voor vandaag was een 4WD nodig geweest en het minibusje was totaal onverantwoord. Maar hen hoor je niet klagen.

DAG 14 – LALIBELA

We maken ons op voor een rustig vliegreisje naar Lalibela. Helaas wensen mijn vrouw ’s darmen daar niet aan meewerken. Zo wordt het toch nog vliegen met buikpijn ondanks het feit dat we met een heuse Fokker 50 van Nederlandse makelij het luchtruim kiezen.

Lalibela ligt hoog in de bergen op 2600 meter en heeft ook echt de uitstraling van een bergdorp, de hoge toppen om je heen, de mensen warm ingepakt en in het hotel een extra stapel dekens op het bed. In het Asheten hotel is het ook wat drukker met toeristen waaronder een behoorlijk percentage Nederlanders.

Als mijn vrouw ’s buikpijn wat is weggetrokken maken we een wandeling door het dorp. Het nieuws van de komst van een Nederlander en een Portugese blijkt ons al vooruit gesneld. De Spanjaard die we in Bahir Dar hebben ontmoet was hier een paar dagen geleden al en heeft Haptamo, zijn sympathieke gids, al op ons voorbereid. We zijn dus meteen onder de pannen voor de komende dagen. Haptamo gaat binnenkort in Addis studeren, zorgt voor zijn moeder, heeft contacten over de hele wereld, is erg aardig en spreekt perfect Engels. Dus dat zit wel goed.

’s Avonds nuttigen we een flink bord rijst met groenten want aan de injara, de zure pannenlap die dienst doet als eetbaar bestek, wensen we niet te wennen.

DAG 15 – LALIBELA

Nu we door de vliegreis behoorlijk voor liggen op ons reisschema kunnen we het heerlijk rustig aan doen. Mijn vrouw wil nog even op zoek naar doktersadvies voor haar buikpijn. Maar die komt tot dezelfde veronderstelling als wij zelf, wat krioelende ongenode gasten in de darmflora. De tocht naar de apotheker voor bestrijdingsmiddelen is echter ziekmakender dan de kwaal want daarvoor moet je een glibberige, steile berg af, dus we laten het nog maar even op zijn beloop (zolang de buikloop uitblijft).

Zoals de hele reis al komen de Rotterdammers weer een dag later het hotel binnen stuiteren. Wij gaan met Haptamo een kijkje nemen op de markt. Bijzonder hier zijn de verkopers van honing en boter. Met de blote handen wordt er een klont in een smoezelig zakje gedaan en te koop aangeboden.

Aan het eind van de middag bekijken we een eerste serie uitgehakte rotskerken. We hebben de pech dat er ter bescherming overal golfplaten daken zijn geplaatst wat flink afbreuk doet aan de schoonheid van de kerken. Hierdoor is het toch wat minder indrukwekkend dan bijvoorbeeld Petra in Jordanië.

’s Avonds zitten we met 6 Nederlanders aan tafel. Een prima gelegenheid voor sterke verhalen. Het mooiste komt van een Limburgse duikinstructeur wiens boot op de Rode Zee in de fik ging. De boot zonk, zij moesten naar de kust zwemmen en hadden niets meer. Hotel T-shirts, goedkope trainingspakken en laissez passées hielpen ten slotte om terug naar Nederland te komen.

Het lukt ook nog om telefonisch contact te krijgen met onze Amsterdamse vrienden. Ze zijn net aangekomen in Addis.

DAG 16 – LALIBELA

Om half zes in het donker op weg naar een mis. Bijbelse taferelen ontrollen zich voor onze ogen. In het wit gehulde mensen zoeken tussen de uitgehouwen rotsen hun weg naar de ingang van de kerk. Binnen zingen en trommelen de priesters. Gelovigen wordt een zilveren kruis voorgehouden dat ze mogen kussen. Op een baar ligt een zieke of dode. We zitten niet de hele mis van 2 uur uit maar bezoeken een tweede serie rotskerken terwijl overal het gezang opklinkt. Nu zijn er een aantal wel in volle glorie te bewonderen, zonder steigers en afdakjes. Dat geeft een heel ander beeld. Vooral de Bet Giorgis, uitgehouwen in de vorm van een kruis, is van een uitzonderlijke schoonheid.

Priesters trekken overal welwillend mooie gewaden aan en tonen de typische kruizen voor de foto. Via tunnels en onderaardse gangen kun je van de een naar de andere kerk. Van binnen zijn ze sober en allemaal een beetje hetzelfde.

’s Middags genieten we met de dorpsbewoners van de zondagsrust, dat ik slechts onderbreek voor een potje tafeltennis. Morgenvroeg wacht ons weer een fijne busrit over onbegaanbare wegen door de bergen.

DAG 17 – ADDIS ABEBA

De hele nacht klettert de regen op het dak en als we om 5 uur opstaan is het nog steeds niet droog. Hoopvol wachten we op het eind van de regen, maar helaas. Als we dan de aftandse bus in het oog krijgen waarin het 6 uur durende glibber- en glijwerk berg op en berg af moet gaan plaatsvinden zinkt ons de moed echt in de schoenen. We gaan toch maar uitbuiten dat we rijke toeristen zijn en opnieuw proberen met de Fokker 50 aan dit Alcatraz te ontsnappen.

Om 8.30 mogen we bij het kantoortje van Ethiopian Airlines langskomen om te horen of ze nog een plekje voor ons hebben vandaag. En zowaar kunnen we om 12 uur vertrekken. Op het vliegveld zien we een mooier Lalibela kruis dan we tot nu toe gezien hebben en voor 15 € is het van ons. Onderweg nog een hachelijk moment. We vliegen via Gonder en Bahir Dar en daar moeten we tanken. Terwijl iedereen in het vliegtuig zit komt een tankwagen aanrijden met een kapotte klep waar de kerosine uit gulpt. Er ontstaan grote plassen naast het vliegtuig. De brandweer is er razendsnel bij en spuit de brandstof weg. Daarna duurt het minstens een uur voordat de klep van de tankwagen, waarschijnlijk de enige hier, gerepareerd is. Toch zijn we om 4 uur in Addis Abeba.

We vinden een wat goedkoper hotel dan het Taitu maar wel in hetzelfde buurtje. Een feestmaal dat we onszelf hadden beloofd ter viering van het overleven van alle ontberingen gaat de mist in omdat het veel geprezen restaurant net nu dicht meent te moeten zitten vanwege een verbouwing. Maar ons Wutma hotel blijkt een zeer goed alternatief te zijn. De welbekende steak Bismarck met het flesje Gonder wijn smaakt hemels bij het besef dat we het eerste deel van de reis overleefd hebben.

DAG 18 – ADDIS ABEBA

Bij Wondwossen informeren we of hij toevallig nog iets als een dagtripje in de aanbieding heeft om even te ontsnappen aan Addis, waar we nu al zo lang zijn. Hij belooft dat hij voor donderdag iets zal zoeken. We wachten af.

Wij brengen een bezoekje aan de Sint George kathedraal waar ook een klein museum bij is met de gebruikelijke gewaden, kronen en kruizen. Wel bijzonder is het dat de gids in de kathedraal spontaan begint te zingen en te dansen als hij ons de heilige tamtam en de gewijde rammelaar demonstreert. We worden zowel op de langzame als de snelle versie getrakteerd.

In het oude paleis van Haile Selassie is nu het etnografisch museum gevestigd en hier is werkelijk een prachtige collectie over de verschillende Ethiopische volkeren. En dit is ook nog eens op een zeer moderne en aantrekkelijke manier tentoongesteld. Er zijn filmpjes over de Hamar, er is muziek te horen, er is een schat aan gebruiksvoorwerpen en er hangen prachtige oude foto’s. Tevens is er de slaapkamer en badkamer van wijlen Haile zelf te zien. Mede aangemoedigd door de maar door kletterende regen nemen we uitgebreid de tijd om alles goed te bekijken.

’s Avonds blijken ook de Rotterdammers gearriveerd na een monstertocht van twee dagen uit Lalibela. Terwijl boven op de gang het mannetje al weer klaar zit met tissues en condooms voor kortstondige gasten laten wij in het donkere Wutma hotel maar weer eens de steak Bismarck, de whisky, de wijn en het bier aanrukken. Net als het gezellig wordt gaat de gelagkamer dicht zodat we naar het Taitu hotel moeten voor de koffie en zowaar wordt het eens iets later op een avond in Ethiopië.

DAG 19 – ADDIS ABEBA

Wat is er wel niet allemaal te doen als je de Churchill Road op en neer loopt? Er kan geld gewisseld worden, de kaarten kunnen op de post, de terugvlucht kan bevestigd worden, er zijn alvast wat souvenirwinkels te bekijken en uitrusten kan op een terrasje. Morgen wacht ons het tripje dat door Wondwossen is geregeld.

’s Avonds gaan we er in ons hotel eens goed voor zitten want na de heerlijke soep staat er geit op het menu, gestoofd op een bedje van gekookte aardappels, gegarneerd met rode bieten en kool. Koffie is zoals gewoonlijk op dit uur niet meer verkrijgbaar dus gaan we een paar deuren verderop. We zitten midden tussen de hoerenbars en als je wat wilt drinken heb je weinig andere keus. Het uitzicht op opgedirkte meiden, in de gaten gehouden door bewakers met geweren en knuppels is gevarieerd. Maar je zit hier niet echt ontspannen een borrel te drinken.

DAG 20 – ADDIS ABEBA

Een minibusje staat voor ons klaar. Gênant als vele mensen langs de weg op zoek zijn naar vervoer. Maar onze chauffeur scheurt resoluut door met zijn twee toeristen. Over redelijke wegen, zonder vervelende bergen rijden we in een kleine twee uur naar de uitgehakte rotskerk Adadi Maryam, uit de 12e of 13e eeuw. Ook deze kerk is op de commerciële toer gegaan, 6 euro of anders mogen we buiten blijven staan. De kerk is niet zo mooi afgewerkt als die in Lalibela maar door zijn ruigheid misschien wel net zo mooi.

In het nabijgelegen dorpje is het marktdag waar we als enige buitenlanders even heerlijk ongestoord rond kunnen neuzen.

Terug in Addis zijn onze vrienden uit Amsterdam ook gearriveerd en is de Nederlandse kolonie op oorlogssterkte. Het wordt dus erg gezellig aan onze vaste tafel in het Wutma hotel. En omdat we een flinke bijdrage leveren aan de omzet wordt er vanavond een koffieceremonie gehouden. Een van de meisjes is daar een uurtje zoet mee. Eerst moeten de bonen geroosterd worden, dan gemalen om er koffie van te zetten. Voor iedereen zijn er drie kopjes. De eerste sterk daarna steeds slapper. Na een slaapmutsje op het hoerenterras kan morgen de grote reis naar de zuidelijke binnenlanden beginnen.

DAG 21 – AWASA

We verblijden Wondwossen met een flink pak travellers cheques en we krijgen een deel daarvan alvast terug in de vorm van etenswaren. We doen samen met hem inkopen in een mini-super om 6 dagen kamperen in de wildernis te overleven. Daar hoort wat ons betreft zeker wijn en whisky bij waardoor Wondwossen toch wat bezorgd naar ons steeds voller wordende mandje kijkt. Maar al snel beseft hij dat zijn monsterwinst daar niet echt door in gevaar komt. Zelfs appelmoes van Jonker Fris mag mee naar de kassa.

Ermes, onze chauffeur voor de komende twee weken, komt met de Toyota landcruiser voorrijden en om elf uur rijden we in zuidelijke richting. En in tegenstelling tot het noorden ligt er een voortreffelijke weg. Langs de weg spotten we de eerste bezienswaardigheden, grafmonumenten van het Oromo volk. Bont beschilderd met olifanten, buffels en leeuwen. Voor goede foto’s moeten we snel zijn want als de plaatselijke jeugd ons in de smiezen krijgt komen ze onmiddellijk aangestormd om betaling te eisen.

We stoppen even bij een maraboe kolonie, die samen met ibissen de oevers van een meer bevolken om dan door te rijden naar een volgend groot meer met het daaraan gelegen Awasa. We komen er net tegen de avond aan. De bootverhuur doet goede zaken want de mensen willen van het laatste zonlicht profiteren door een bootje te huren voor een kort tripje op het water. Een felgekleurd ijsvogeltje verschalkt ook nog even een laatste visje voor het donker. Het wemelt hier sowieso van de vogels.

Ook voor de mensen is dit deel van Ethiopië blijkbaar veel gezonder want ze zien er veel beter uit dan hun landgenoten in het noorden. De goede wegen naar Addis Abeba zijn daar ongetwijfeld debet aan.

De 32e verjaardag van onze vriendin vieren we met Blue Curaçao en Cherry Brandy uit het verre Nederland en bij het diner gaan er nog twee flesjes wijn open. Het is een chique restaurant waar de cliëntèle allemaal voor komt rijden in de 4WD. En alles is tiptop in orde. En toch blijk je achteraf maar 2 euro voor een maaltijd te betalen. Na zo’n maaltijd en het mooie weer van vandaag voelen we ons nu pas echt op vakantie.

DAG 22 – ARBA MINCH

Van Awassa rijden we naar Arba Minch vandaag. Het is mooi om onderweg de verschillen in gewoontes te zien. Op een bepaalde plek dragen de mannen ineens hoge hoeden van riet of je ziet ineens de bouwstijl van de hutten totaal veranderen.

In Arba Minch staat voor vandaag de zogenaamde krokodillenmarkt op het programma. Hier zijn geen krokodillen te koop maar komen de beesten zelf bijeen voor hun sociale contacten. Ze schijnen altijd aan het eind van de middag op een plek samen te komen om te luieren in de zon. Helaas zijn volgens Ermes alle boten voor vandaag vol geboekt. Eigenwijs als we zijn gaan we dan maar zelf op zoek naar een bootje en een half uur later plukken we Ermes vanachter zijn maaltijd vandaan om ons toch naar het meer te brengen. Chagrijnig brengt hij ons er naar toe en er verschijnt inderdaad een boot. De omschrijving “markt” blijkt zeer toepasselijk. Het wemelt er echt van de krokodillen. Enorme joekels liggen op de kant en overal naast de boot spieden de oogjes net boven het water uit. Als dan ook nog de enorme koppen van nijlpaarden opduiken is het feest compleet. Onze vriendin begint lichtelijk in paniek te raken want in Botswana heeft ze een minder fijne ontmoeting met zo’n beest gehad en heeft ze moeten zwemmen om te ontsnappen. Wij zijn echter blij eindelijk eens een keer de beloofde beesten gezien te hebben naar eerdere teleurstellende safari’s naar olifanten, neushoorns of flamingo’s. En alle vogels en apen van vandaag kregen we nog op de koop toe.

In het chique hotel van Arba Minch, waar we dus niet overnachten, werken we een taai stuk vlees weg en daarna drinken we nog een lekkere whisky cola met dank aan Wondwossen.

DAG 23 – KONSO

Gezeten tussen alle tourgroepen mogen ook wij even genieten van het schitterende uitzicht bij het hotel van gisteravond. En het is hier een stuk rustiger dan in het hotel waar wij overnachten want daar doe je vanaf zes uur geen oog meer dicht door alle vertrekkende jeeps.

We zijn Arba Minch nog niet uit of een groep bavianen verspert ons de weg. Tegen een kleine vergoeding van verrotte bananen zijn de dieren bereidt tot enig modellenwerk.

Tegen de middag bereiken we Konso. In de buurt bezoeken we een dorp waar onder meer de befaamde graftotems te zien zijn maar we worden besprongen door een zo grote groep kinderen en volwassenen dat er geen doorkomen aan is. In een flits zien we het dorp en de beelden maar verder zijn we alleen maar bezig om aan de menigte te ontsnappen. Bij het zogenaamde “New York”, grillig gevormde rotspartijen, is het iets rustiger maar ook nog niet echt wat je noemt relaxed. Als het bij de Mursi stam over een paar dagen ook zo gaat kunnen we de borst nog nat maken.

Wat over is van de spaghettisaus van vanmiddag wordt ons ’s avonds, aangelengd met water, opgediend als soep en valt ons als een baksteen op de maag. Tijdens het eten moeten we ook Ermes even weer aan zijn taak herinneren want hij wil morgen om 9.00 vertrekken waardoor we de markt in Turmi waar we speciaal om hebben gevraagd precies zouden missen. 7.00 lijkt ons beter. We moeten zelf de vinger aan de pols houden anders zien we geen fluit.

DAG 24 – TURMI

Vanuit de bergen dalen we af in de Omo vallei waar we over rechte wegen naar Turmi stuiven. Daar wacht ons de beloning voor alle ontberingen. Marktdag van de Hamar. Dat blijkt een schouwspel dat niet meer van deze wereld lijkt. De vrouwen hebben hun haar met boter en rode klei ingesmeerd, lopen in rokjes van geitenvellen rond en dragen grote hals- en hoofdsieraden. De mannen dragen kapjes van klei, in felle kleuren geschilderd met daarbovenop een veer. De benen vaak beschilderd in abstracte patronen, alleen een kleine lap als rokje en de Kalasjnikov en de hoofdsteun als enige bagage. We kijken onze ogen uit.

Als er dan ook nog een inwijdingsritueel blijkt plaats te vinden is onze dag helemaal goed. Aan de droge rivierbedding zitten overal groepjes vrouwen te zingen en af en toe blaast er een op een toeter.

Meisjes zijn druk in de weer om de mannen uit te dagen. Bedoeling schijnt te zijn de mannen zo op te naaien dat deze hun stok pakken om de vrouwen genadeloos af te ranselen. En de mannen meppen er dus flink op los. In een oogwenk worden de ruggen van de vrouwen tot moes geslagen. Het bloed vermengt zich met de rode klei en het vet uit de haren. Er loopt geen vrouw rond zonder striemen, littekens of verse wonden.

Met dansen en springen worden vervolgens alle runderen bij elkaar gedreven. Door ze bij hun tong of staart te pakken worden de beesten naast elkaar gezet tot ze een soort brug vormen. Een jongen wordt door een groep mannen voorbereid op zijn proeve van bekwaamheid. Als het moment daar is neemt de naakte jongeman een aanloop en rent dan vier keer heen en weer over de ruggen van de beesten. Bedoeling is natuurlijk om daarbij niet te vallen en hij slaagt daar glansrijk in.

Na deze enerverende middag is er voor de koks vandaag een eigen inwijdingsritueel. Ik ben samen met onze Amsterdamse vriendin de pineut maar we krijgen wel allebei een prachtige schort cadeau van onze geliefden. Deze schort moet ons aanzetten tot culinaire prestaties. Met een heerlijke nasi met corned beef maken we die verwachting volledig waar. Een lekker wijntje en een sterrenhemel vervolmaken het geheel. Als het nut heeft kan kamperen heel mooi zijn.

DAG 25 – OMORATE

Ook in de ochtend genieten we van de geneugten van de camping. Oud brood met jam, sandwichspread en zand. Koffie en thee uit plastic bekers.

Helemaal opgekikkerd rijden we dan tot dicht bij de Keniaanse grens. Aan de Omo rivier ligt Omorate. Even buiten dit dorp staan er op een stoffige vlakte wat schamele, onooglijke hutten bij elkaar waar de “Geleb”, zoals de gids ze aanduidt, wonen. Maar de hutten mogen het aanzien niet waard zijn, de mensen wel. Lange trotse mannen pronken met veren en pluimen op hun hoofd en de dorpsoudste met een munt onder zijn lip wil tegen een vergoeding ook wel even op de foto.

Het is vandaag ineens zo warm dat de lust om al te veel toeristische activiteit te ontplooien niet groot is dus zoeken we onze toevlucht tot een plek in de schaduw waar ze koude drank op voorraad hebben.

Als we in Turmi terug zijn probeert Ermes extra geld van ons los te krijgen voor de betaling van de camping. Met zijn baas heb ik afgesproken dat dit al bij de prijs inbegrepen zou zijn. En we betalen al 180 dollar per dag, dus voor aanvullingen achteraf moet hij niet bij ons zijn. Ermes beweert dat hij te weinig geld heeft meegekregen van Wondwossen maar wat ons betreft zoekt hij het maar uit.

’s Avonds is er geit in de aanbieding maar niemand heeft echt zin in de vette hardgebakken stukjes. Morgen gaan we maar weer zelf toveren met rijst en groente.

DAG 26 – MAGO NATIONAL PARK

We verlaten de betrekkelijke luxe van het Turmi kampement om naar het Mago National Park te rijden. Wat in het begin een weg lijkt veranderd in een pad, dan in een spoor, om ten slotte geheel te verdwijnen. We stuiteren over rotsen, duiken diep weg in grote rulle zandbakken en proberen diepe, door water uitgesleten sporen te bedwingen. Maar Ermes is in vorm en de Toyota weet ook niet van opgeven. Bij een Kolchi dorp stoppen we even. Geheel beschilderde mannen wachten ons op maar de sfeer is zo gespannen dat we na wat snelle foto’s weer snel doorrijden. En Ermes kan ons niet goed duidelijk maken hoe we het beste contact kunnen maken. Hij begrijpt de taal van deze mensen zelf ook niet al te goed, lijkt het. Even later bij een Karo dorp is het van eenzelfde laken een pak. Prachtig beschilderde mensen, maar door de opdringerige praktijken krijg je niet de kans om even rustig rond te kijken. Je wordt gedwongen om, alsof je op een veemarkt bent, te kiezen wie je voor 2 birr wilt fotograferen. En als je al een keuze maakt word je daarna door de niet uitverkorenen lastig gevallen met de vraag waarom zij dan niet. Het is dus “hit and run”.

Op de kampeerplek in het Mago Park staat het flink vol met tenten van allerlei tourgroepen. Gelukkig mogen wij op een hoekje van een veld onze tenten opzetten in de buurt van een Spaanse “Samsonite” groep. We bereiden een heerlijke maaltijd met kool terwijl we ondertussen proberen de Tsee-Tsee vliegen van ons lijf te houden. En morgen wacht een nog grotere beproeving want dan moeten we ons de Mursi van het lijf houden. Hun faam is ze al vooruitgesneld en iedereen is nu al uit voorzorg ringen, oorbellen en kettingen aan het verwijderen. De paranoia heeft toegeslagen.

DAG 27 – MAGO NATIONAL PARK

De overdreven stress van ons wordt meteen gelogenstraft. Weliswaar worden we begeleidt door een bewaker met geweer, wat niet helemaal voor niets zal zijn, maar de Mursi die we na anderhalf uur rijden ontmoeten zijn redelijk vriendelijk. Natuurlijk willen ze geld zien voor het tonen van de schotellip en de bungelende lippen zonder schotel maar de onderhandelingen verlopen zonder al te veel duw- en trekwerk of geschreeuw. In het eerste dorp loopt maar één vrouw met een kleischotel in haar lip, bij de rest bungelt het losse lipje op de kin. Wel zijn de accessoires prachtig. Variërend van Kalasjnikovs op het hoofd tot hoorns, potten, pannen en manden.

De meeste Mursi zijn wild beschilderd met witte strepen en patronen. En overal ontdek je steeds weer voetjes van een verborgen kind ergens op een rug. Op de weg terug zien we een groep jonge meiden wel in vol ornaat met lipschotel en al. We beseffen dat het aantal Mursi op deze wereld niet meer al te groot is. Dit uitermate bizarre volk zal niet heel lang meer op deze wijze te zien zijn.

Met een zekere opluchting zetten we de bewaker weer af en rijden door naar Jinka want we hadden weinig zin in nog een nacht kamperen in de negorij van het Mago Park. Wij kiezen voor de paradijselijke luxe van koud bier, koffie en een bed. Wij schuiven aan voor een overheerlijke maaltijd met kip en duiken daarna de plaatselijke kroeg in. We zijn weer helemaal terug op aarde.

DAG 28 – JINKA

We hoeven niet om 7 uur op maar kunnen weer eens in alle rust ontbijten. Daarna slenteren we sloom het dorp in waar we ons een mooi plekje op een terras bij de markt bemachtigen. Zo kunnen we alle activiteiten (bijna) ongestoord gade slaan. Het mooist blijven de Mursi mannen die slechts gehuld in een klein dekentje inkopen komen doen. Vast van het van toeristen ontvangen fotogeld. Tussendoor flansen we in het hotel even een lunch in elkaar van kippensoep en tonijnsalade om daarna ons plekje op het terras weer in te nemen voor meer dagelijkse Jinka taferelen.

In het hotelrestaurantje bestellen we weer hetzelfde als gisteren want de gulden regel is: als je eenmaal iets goeds gegeten hebt bestel het dan onmiddellijk weer want beter krijg je waarschijnlijk niet.

Bij het naastgelegen hotel weten we nog koffie en whisky te bemachtigen waarmee er een einde komt aan onze “vrije dag”. Het heeft slechts 180 dollar voor vier personen gekost vandaag.

DAG 29 – DIMEKA – WEYTO

We vertrekken uit Jinka om via Key Afar naar Dimeka te rijden waar vandaag ook een Hamar markt is. Het is hier meer een markt dan afgelopen maandag in Turmi. Hier zijn de mensen meer met hun eigen handel bezig dan met het geld verdienen aan foto’s. Er is zelf ruimte voor een vergelijkend warenonderzoek tussen hun kroeshaar en ons sluike of geverfde haar. Ook onze harige benen en hun gladde huid zijn onderwerp van inspectie.

Na de markt is het nog een hele rit om via Turmi naar Weyto te rijden. Hier moeten we nog één keer kamperen naast een “wegrestaurant” in the middle of nowhere. Gelukkig voor het laatst. Nog eenmaal toveren we vanaf de butagasbrander een macaroniprutje op onze plastic bordjes maar daarna beginnen we ook onmiddellijk met het weggeven van etenswaren die we over gaan houden. Op Pepsi kratjes worden ondertussen naast onze tenten bedden ingericht voor de kinderen van het bedienend personeel. Misschien nog wel te prefereren boven de vlooienmatten waarop wij moeten slapen.

DAG 30 – ARBA MINCH

We pikken het lokale marktje van Weyto natuurlijk ook nog even mee en dat levert ons nog een mooie riem op met allemaal tasje voor de kogels. Alle mannen lopen er hier mee rond. Mijn vrouw nu ook.

Daarna is het een lange rit terug naar Arba Minch via Konso. Als we de bavianen weer langs de weg zien zitten weten we dat we er bijna zijn. En zoals altijd na een nacht kamperen in een stoffige omgeving zonder water volgen we het vaste patroon bij terugkeer in de bewoonde wereld; snel onder een douche en op zoek naar schone kleren. En dan aanschuiven aan tafel op het welbekende superterras voor een steak zodat we morgen helemaal fit zijn voor de zebra’s.

DAG 31 – ARBA MINCH

Het begint saai te worden maar ’s ochtends zijn we wederom op het terras te vinden waar ze ons dit keer weten te verrassen met kaas. Gisteravond was ook al alles wat op de menukaart stond te verkrijgen. Het kan niet anders of de bevoorrading is net langs geweest.

Wij maken vandaag een rondje door het Nechisar National Park. We voorzien ons eerst van een bewaker met geweer en rijden dan via een bos met apen en tsee-tsee vliegen langs het krokodillenmeer naar een grassavanne. En hier wemelt het van de zebra’s. Als we de eersten zien denken we nog dat we geluksvogels zijn maar daarna zien we er zoveel dat alleen een blinde ze kan missen. Naast de zebra zijn er ook nog gazelles, hartebeesten en kanjers van neushoornvogels. En overal wegvluchtende illegalen die in het park wat proberen weg te kappen of te kapen.

De hoogtepunten van Arba Minch hebben we zo langzamerhand wel gehad dus zwerven we wat door de stad om de couleur locale op te snuiven. Bij het restaurant is ’s avonds alles weer bij het oude, de helft van wat op de menukaart staat is niet leverbaar. Bij ons eigen hotel houden we het in de tuin met wat lokale drankjes en bier zomaar tot elf uur vol.

DAG 32 – CHENCHA – AWASA

Het eind van onze zuidelijke rondreis komt in zicht maar de auto heeft er nu al geen zin meer in. Gisteren is Ermes al flink aan het sleutelen geweest en vanmorgen moet hij opnieuw naar de garage om wat te rommelen met de tandwielen. Wij vermaken ons zolang op het terras met de bavianen die komen buurten en hun kleintjes komen tonen. Als Ermes de auto weer aan de praat heeft gekregen moet er natuurlijk flink voortgejakkerd worden om de verloren tijd weer in te halen.

De krokodillenfarm is het eerste reisdoel. 5000 liggen er te wachten om tot tasjes en schoenen verwerkt te worden voor de markten in het Midden Oosten en Azië. Daarna gaat het bergop naar Chencha waar het marktdag is. Een bezoek aan de garage lijkt opnieuw nodig als de motor aan de kook raakt. Een gebroken slang blijkt de oorzaak en dat kan Ermes gelukkig makkelijk herstellen. De markt in Chencha is erg mooi gelegen, hoog op de berghellingen. Tevens zijn er hier bijzondere hutten te zien. Behoorlijk hoog, met een soort neus als deur. We mogen ook binnen kijken maar zelfs met onze zaklantaarn zien we weinig.

Dan is het een lange, lange rit naar Awasa. Ermes heeft haast, wat lastig is want heel Ethiopië lijkt vandaag op straat te lopen, van of naar een markt. En het gaat dan niet alleen om mensen maar ook om koeien en geiten. Het moge duidelijk zijn dat onze chauffeur de toeter en het rempedaal veelvuldig nodig heeft. Ondertussen dromen wij van het restaurant in Awasa waar we de vorige keer zo lekker gegeten hebben. Als we daar uiteindelijk vol verwachting aan een tafeltje zitten is de centimeters dikke Cordon Bleu uiteindelijk toch een kleine tegenvaller.

Bij ons hotel trapt mijn vrouw bij het openen van de deur bijna op een kleine zwarte slang. Wij schrikken, evenals het beest dat snel onder een vlonder naast de deur verdwijnt waar de nachtwaker bivakkeert. En die is ineens een stuk minder blij met zijn slaapplek. Al het hout en karton waar hij zijn nestje uit heeft opgebouwd wordt voorzichtig verwijderd tot het kleine monster in beeld komt. Met een stuk hout wordt er fanatiek op de slang ingehakt om absoluut zeker te weten dat het beest naar de eeuwige jachtvelden is. Zijn eigen jachttrofee heeft hij niet meer opgekregen, een grote hagedis. De bewaker kan zijn bed weer inrichten maar het gat er onder zal waarschijnlijk snel weer nieuwe bewoners aantrekken. Wij nemen voor de zekerheid een andere kamer, voor het “gevoel”.

DAG 33 – ADDIS ABEBA

Bij het Pinna restaurant staat zomaar een broodje kaas op de ontbijtkaart. Een aangename verrassing op onze zoektocht naar een eierloos ontbijt.

Nu we de volkeren en dieren van Zuid Ethiopië bezocht hebben moeten we vandaag op zoek naar een alternatieve daginvulling op de weg terug naar Addis. We vinden iets in de vorm van een heetwaterbron in Wondo Genet. En hoewel het grote zwembad leeg is vanwege de wekelijkse schoonmaakbeurt op woensdag is het ook heerlijk toeven in het hete water van het kleine bad of onder de straal die zo uit de bergen komt. We wassen definitief het zand en ongedierte van de Omo vallei van ons af. Ook maken we nog een kleine tussenstop bij het bruine water van Lake Langano. Het strandparadijs van de Ethiopiërs zelf met huisjes, waterfietsen en speeltuin. Langs de hele route staan er mensen langs de weg om iets te verkopen. Bossen hout, houten krukjes, kippen, eieren en zelfs een vel van een jaguar. En wat verder opvalt is het vrijwel ontbreken van politie of soldaten. Iedereen regelt hier zijn eigen bewakers, alleen op drukke kruispunten in de steden wil je nog wel eens een verdwaalde diender tegenkomen.

Als we Addis naderen pakken zich de donkere regenwolken al samen voor een nat welkom. Addis is gehuld in een dikke laag smog, mist en regen. Een grote overgang na de zon van de afgelopen dagen. Daarom nestelen we ons snel weer in ons Wutma hotel in afwachting van de gestoofde geit.

DAG 34 – ADDIS ABEBA

We brengen Wondwossen een bezoekje om onze dank uit te spreken en daarna gaan we op souvenirjacht. Het weer wil helaas niet erg meewerken. Het regent voortdurend en er is ook niet echt sprake van een lekker temperatuurtje. Toch gaan we op zoek naar de Merkato, een van de grootste openluchtmarkten in Afrika. Hoe groot het werkelijk is zoeken we vandaag niet uit, het is niet echt weer voor openluchtmarkten. We beperken ons tot de souvenirwinkels. We bemachtigen wat snuisterijen en een paar kleine konso-beeldjes. Dan moeten we ook nog even langs bij een winkel waar mijn vrouw twee weken geleden een mooie ring had gezien. Ook die gaat mee naar Nederland.

Tot besluit van onze trip is er een afscheidsdiner in het Crown Hotel, 12 kilometer buiten de stad. Ermes komt ons halen en brengt ons naar de zaal die voor typisch Ethiopisch moet doorgaan. De nationale drank tej, een licht alcoholische honingdrank, mag natuurlijk niet ontbreken. Als de band begint te spelen kunnen wij langs het buffet schuiven om een bordje vol te scheppen en ondertussen presenteert een groep dansers de traditionele dansen uit de verschillende provincies. Steeds weer een andere klederdracht maar in alle dansen in Ethiopië blijft de aandacht gericht op de schouders die er, geïsoleerd van de rest van het lijf, heftig op los schudden.

Drie flessen tej en talrijke dansen later waagt mijn vrouw zich ook nog even op de dansvloer om te laten zien dat de schouders niet alleen zaligmakend zijn. Een flink schuddende kont toont zij als het Europese antwoord op de Ethiopische dans. Met klassieke muziek op de autoradio rijden we door nachtelijk Addis terug naar ons hotel.

DAG 35 – ADDIS ABEBA

We gaan nog éénmaal bij Wondwossen langs om afscheid te nemen en hem te bedanken voor alles. Daarna zoeken we onze vrienden op die ondertussen weer in het Taitu bivakkeren (vanwege het lawaai van de houtzagerij aan de overkant van het Wutma). We wachten op een fotograaf die gisteravond foto’s heeft gemaakt, maar de man komt niet opdagen. Pas later op de middag treffen we hem.

De laatste Birr moeten uitgegeven worden. Een mooie gelegenheid om de CD collectie nog wat uit te breiden. En om alvast weer te wennen lukt het zowaar om een bordje patat te krijgen tijdens weer een van de vele regenbuien. Daarna nemen we onze toevlucht tot een beproeft recept voor saaie- of verregende vakantiedagen, de bioscoop. Ik moet wel eerst mijn videocamera naar het hotel brengen want ze zijn blijkbaar bang voor illegale opnames. De film Ransom met Mel Gibson hebben we helaas al eerder gezien. Maar de armzalige staat van de bios, het smoezelige bruine projectiedoek en het applaudisserende publiek als de slechterik wordt doodgeschoten maken het toch tot een aangename tijdsbesteding.

In stijl, met een steak alla Bismarck, nemen we afscheid van het Wutmahotel waarna een mannetje van Wondwossen ons naar het vliegveld brengt. Voorbereid op een grondige controle en Afrikaanse duw- en trektoestanden blijkt het alleszins mee te vallen en kunnen we vrij snel inchecken. Via Caïro en Frankfurt terug naar Amsterdam.

DAG 36 – NEDERLAND

Na in Ethiopië weinig problemen met het eten gehad te hebben doet het Duitse vliegtuigvoer wel een stevige aanval op de ingewanden. Mijn vrouw wordt er hondsberoerd van waardoor de laatste etappe met het vliegtuig en daarna de trein een lijdensweg wordt. Als daarna ook de trein tussen Apeldoorn en Deventer niet blijkt de rijden en we een stuk met de bus moeten hebben we het weer meteen helemaal gehad met het moderne westen.

Meer foto’s hier: THE STATE VISITS – TRIBES

Meer foto’s hier: THE STATE VISITS – WORLD HERITAGE SITES


Advertenties

Een gedachte over “2002 ETHIOPIË

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.